Zuchttauglichkeitsprüfung-Belgium (ZTP-Belgium)

 

Deze fokgeschikheidsproef vormt, naast en met de Rasstandaardtest, onderdeel van het fokreglement van de Belgische Rottweiler Klub.
Deelname aan de test impliceert de onvoorwaardelijke en onherroepelijke toelating aan de Belgische Rottweiler Klub om de aldus over de hond vergaarde informatie naar eigen goeddunken te verzamelen, te bewaren, te verwerken, te verspreiden en zelfs te publiceren, voor zover dit kadert in de werking van de rasvereniging, in het bijzonder het op welke wijze dan ook verschaffen van alle nuttige informatie die voor de fok van de Rottweiler dienstig kan zijn.
De test wordt beoordeeld door een of twee keurmeesters die door de Raad van Bestuur van de Belgische Rottweilerclub gekozen worden onder door de FCI-erkende keurmeesters die bevoegd zijn om het ras van de Rottweiler te keuren en/of de IPO-proef. Indien de keurmeester bevoegd is om beide te keuren, kan volstaan worden met een enkele keurder.
De beoordeling door de keurmeesters luidt in elk onderdeel « voldoende » of « onvoldoende » en is niet vatbaar voor betwisting of beroep.
Ingeval van onenigheid tussen de keurmeesters bij de beoordeling van een onderdeel, krijgt de hond geen eindbeoordeling maar wordt hij doorverwezen naar een latere tweede test door andere keurders of waarbij minstens de keurmeester die een « onvoldoende » adviseerde vervangen wordt door een andere keurder. Indien ook op die test onenigheid tussen de keurders zou bestaan, wordt de hond beoordeeld als niet geslaagd.
Behoudens indien door de keurmeesters een naar hun oordeel definitieve en onherstelbare diskwalificatiefout wordt weerhouden, mag de hond die beoordeeld wordt als « beantwoordt niet aan de rasstandaard » opnieuw en dan ten vroegste 2 en ten laatste 6 maanden later opnieuw voorgesteld worden en dan voor de laatste keer. Onenigheid tussen de keurmeesters of de hond opnieuw mag voorgesteld worden, impliceert dat de hond een tweede keer mag voorgesteld worden. Op gemotiveerd verzoek van de eigenaar van de hond kan van voormelde termijn door de Raad van Bestuur van de rasvereniging een afwijking toegestaan worden alsook een derde kans.
Kunnen aan deze test deelnemen : Rottweilers met een door de FCI erkende stamboom die op datum van de test minstens 17 maanden (reuen) of 20 maanden (teven) oud zijn en die reeds met succes de proef “Begeleidingshond” afgelegd hebben.
Bij de inschrijving worden gevoegd :
 - copie van de stamboom  - copie van het werkboekje  - copie van de beoordeling van de hond op HD en/of ED indien de hond reeds aan het onderzoek
 werd onderworpen.
Voorafgaand de test wordt de identiteit van de hond vastgesteld (tatouage of microchip). Indien de identiteit niet kan vastgesteld worden, wordt de hond van deelname uitgesloten.
 
Onderdeel 1 – beoordeling van het uiterlijke.
Deze test beoogt vast te stellen of de hond in voldoende mate beantwoordt aan de beschrijving door de FCI-rasstandaard.
De hond wordt individueel aan de keurmeester voorgesteld zoals op een tentoonstelling, aangelijnd en met halsketting.
De keurmeester geeft van de hond een gedetailleerde schriftelijke beschrijving, met inbegrip van de vaststelling van type, grootte, lengte, borstbreedte en –diepte, oogkleur, opname van de maten van het hoofd, enz. … en besluit deze vervolgens met de beoordeling « voldoende » of « onvoldoende ».
De beschrijving wordt schriftelijk bevestigd.
De beoordeling als « onvoldoende » wordt bondig doch duidelijk gemotiveerd.
Slechts honden waarvan de oogkleur gekwalificeerd wordt tussen 1 a en 4 a kunnen in de test slagen. Honden met een lichtere oogkleur, vanaf 4 b, worden fokongeschikt verklaard.
 
Onderdeel 2 – Wesentest.
2.1. Schotvastheid.
De geleider wandelt met aangelijnde hond in de richting van een groep bewegende personen. Met een tussentijd van ongeveer 5 seconden worden twee schoten gelost (6 mm. pistool). Niet schotvaste honden worden fokongeschikt verklaard.
2.2. Gedrag in de groep vreemde personen.
De geleider wandelt doorheen een bewegende groep mensen, maakt een keerwending en begeeft zich opnieuw doorheen de groep. Op aanwijzing van de keurmeester begeeft hij zich uit de groep en lijnt de hond af om vervolgens opnieuw een wandeling doorheen de groep te maken met de vrij volgende hond.
Op aanwijzing van de keurmeester houdt de geleider met zijn hond halt in de groep waarop deze laatste zich sluit de groep tot zij de hond en geleider volledig omsluit. Op teken van de keurmeester opent de groep zich langzaam om vervolgens – andermaal op teken van de keurmeester – zich snel te sluiten tot zij de hond en geleider opnieuw volledig omsluit.
Vervolgens wandelt de geleider met aangelijnde hond doorheen een dubbele rij personen die in het begin op een afstand van ± 2 meter van elkaar staan en naar het einde toe nauwer bij elkaar. Tijdens deze heenwandeling worden door enkele personen in de rij allerhande prikkels geuit worden door vb. zonder voorafgaande waarschuwing een paraplu te openen, met een doek te zwaaien, een voorwerp met lawaai op de grond te laten vallen, enz. …, steeds korte afstand voordat de hond hen voorbij wandelt. Na de rij te hebben doorlopen, wordt een keerwending gemaakt en wandelt begeleider met hond opnieuw doorheen de rij.
In dit onderdeel wordt beoordeeld of de hond zich vrij en onbevangen gedraagt en derhalve getuigt van een voldoende groot zelfvertrouwen en hoge angst- en agressiedrempel.
Geven aanleiding tot de beoordeling “onvoldoende” : grote angst, overdreven nervositeit, te snelle of te grote agressie, het niet snel terugkomen tot rust.
De keurmeesters kunnen in elke stand de test beëindigen wanneer zij van oordeel zijn dat de beoordeling “onvoldoende” zich opdringt. Zij zullen in dat geval proberen er zorg voor te dragen dat de hond opnieuw tot rust komt en zijn vertrouwen hervindt alvorens het terrein te verlaten.
2.3. Natuurlijke driften.
Het derde onderdeel van de proef wordt uitgevoerd overeenkomstig het IPO-programma, klasse I, onderdeel C. De pakwerker moet bevoegd zijn om op officiële wedstrijden te fungeren.
De keurmeester zal de hond gedurende deze proef beoordelen op de aanwezigheid en kwaliteit van zijn natuurlijke driften.
 
Onderdeel 3 – Wesentest in het verkeer.
Dit onderdeel van de test beoogt na te gaan of de hond getuigt van een voldoende sociale geaardheid en bewijst in een dagelijkse situatie te beschikken over de gedragskenmerken die in de rasstandaard worden omschreven als « vriendelijk, vreedzaam, zelfverzekerd en evenwichtig ».
De keurmeester(s) en niet de personen die instaan voor de praktische organisatie beslissen over de plaats en omstandigheden waarin de test wordt afgenomen. Bij de samenstelling en beoordeling ervan zal er zorg voor gedragen worden dat zij plaatsvindt in een realistische verkeerssituatie, met inbegrip van auto- en fietsverkeer, jogger(s), wandelaar(s), begroeting van een persoon met handdruk, enz. … . De organisatoren staan in voor het ter beschikking stellen van het door de keurmeester(s) gevraagde materiaal en de voor de testen benodigde personen/helpers.
De test bevat minstens de beoordeling van volgende situaties :
 De hondengeleider wandelt met zijn aangelijnde hond over een welbepaald gedeelte van het voetpad. De hond moet met doorhangende lijn, rustig onder voortdurende controle van zijn begeleider wandelen. Hij blijft onverschillig t.a.v. voetgangers en verkeer. Tijdens de wandeling zal de keurmeester of een door deze aangeduide persoon de hond de weg afsnijden en zal een fietser (ringelende bel) én jogger de hond passeren. Na een keerwending wandelt de geleider met zijn hond in de richting van de keurmeester, stopt voor deze laatste, begroet hem met luide stem en handdruk en maakt een kort praatje.  gedrag in een (druk bezocht) openbaar gebouw.  gedrag in een rij begeleiders die elk met aangelijnde hond in dezelfde richting over het voetpad wandelen.
De criteria die de keurmeester(s) zullen hanteren, zijn onder meer het gemis aan agressie en angst, de vriendelijkheid t.a.v. mensen en de onverstoorbaarheid t.a.v. gebeurtenissen die als dagelijks aanzien worden. Overdreven snelle of grote angst of agressie geeft onmiddellijk en noodzakelijk aanleiding tot de beoordeling « onvoldoende ».