logo.png

Language

De FCI rasstandaard nr. 147 : De Rottweiler

DE ROTTWEILER EN ZIJN RASSTANDAARD

Als we spreken over een bepaald ras, dan verwijzen we naar een groep dieren die allen dezelfde - erfelijk bepaalde - uiterlijke en karakteriële kenmerken vertonen.

De beschrijving van deze eigenschappen of m.a.w. de definitie van een bepaald ras, wordt neergeschreven in een zg. rasstandaard.

Hiervan zijn meerdere versies die in details van elkaar afwijken denkbaar, maar de enige die door onze rasvereniging wordt erkend, is deze van de Fédération Cynologique International.

U vindt hieronder een vrije Nederlandstale vertaling van deze rasstandaard.

De officiële Frans- of Duitstalige tekst kan opgevraagd worden bij onze bestuurs-leden of consulteren via de website van het FCI

 

DE ROTTWEILER EN ZIJN RASSTANDAARD

FCI-standaard nr. 147 : Rottweiler.

Classificatie : FCI groep II : Schnauzers en Pinschers, Molossers, Zwitserse Sennenhonden. Sectie 2.1 Molossers, dogachtigen onderworpen aan werkproeven.

Land van herkomst: Duitsland. Gebruik: Gezelschapshond, waak- en verdedigingshond en gebruikshond.

Kort historisch overzicht.

De Rottweiler behoort tot de oudste hondenrassen. Zijn oorsprong gaat terug tot in het Romeinse tijdperk toen hij gehouden werd als waakhond en veedrijver. De honden trokken met de Romeinse legioenen over de Alpen en beschermden de mensen en dreven het vee.

In de streek van Rottweil vermengden deze honden zich met plaatselijke honden. De voornaamste taak van de Rottweiler was het drijven en bewaken van runderkuddes en het verdedigen van zijn meester en diens eigendommen. Hij dankt zijn naam aan de oude duitse stad Rottweil : Rottweiler Metzgerhund (beenhouwershond)

De beenhouwers fokten dit ras uitsluitend als gebruikshond. Zo ontstond na verloop van tijd een uitmuntende waak- en veedrijvershond, die echter ook als trekhond gebruikt werd. Toen men begin van de twintigste eeuw hondenrassen selecteerde om dienst te doen als politiehond, werd ook de Rottweiler beproefd. Al gauw bleek dat de hond voor deze opdracht uitermate geschikt was en in 1910 werd hij dan ook officieel als politiehond erkend.

Het streven van de Rottweilerfokkerij is een zeer krachtige hond, zwart met roodbruine en met duidelijk begrensde aftekeningen. Ondanks de stoere verschijnigsvorm beschikt de Rottweiler over adel en is hij bijzonder geschikt als gezelschaps- verdedigings- en gebruikshond.

Algemeen beeld:

De Rottweiler is een middelgrote tot grote hond. Hij is noch plomp noch licht van bouw, niet hoogbenig of slap. Zijn in goede verhouding staande, gedrongen en krachtige bouw verraadt grote kracht, wendbaarheid en uithoudingsvermogen. De lengte van het lichaam, gemeten van borstbeen tot zitbeen mag maximaal 15 % meer zijn dan de schofthoogte.

Karakter.

Zijn aard is vriendelijk, vreedzaam en kindvriendelijk. Hij is zeer aanhankelijk, gehoorzaam en werkwillig. Zijn verschijning verraadt oerkracht. Zijn gedrag is zelfverzekerd, evenwichtig en onverschrokken. Hij reageert bijzonder attent op zijn omgevingC:Vandecasteele- websites

Hoofd.

  • Schedel: de schedel is middellang, breed tussen de oren. Het voorhoofd is van opzij gezien matig gewelfd en de achterhoofdknobbel is goed ontwikkeld zonder sterk uit te komen.
  • Stop: de schedelaanzet is duidelijk zichtbaar.
  • Neus: de neusrug is recht, in de aanzet breed en naar voren toe slechts weinig smaller. De neusspiegel is goedgevormd, eerder breed dan rond met relatief grote neusgaten en altijd zwart van kleur. De voorsnuit moet in verhouding tot de schedel noch te lang noch te kort zijn.
  • Lippen: zwart, strak aanliggend. De mondhoeken zijn gesloten. Het tandvlees is zo donker mogelijk.
  • Kaken: krachtige, brede boven- en onderkaken.
  • Jukbeen: het jukbeen is goed zichtbaar.
  • Gebit: krachtig en volledig (42 elementen). De snijtanden van de bovenkaak sluiten scharend over die van de onderkaak.
  • Ogen: middelgroot, amandelvormig, donkerbruin van kleur. De oogleden sluiten goed aan.
  • Oren: middelgroot, hangend, driehoekig van vorm, ver uit elkaar staand, hoog aangezet. De schedel zal door de naar voren gebrachte goed aanliggende oren breder lijken.

Hals.

Krachtig, matig lang, goed gespierd en komt met een licht gewelfde halslijn. De hals is droog, zonder wammen of losse keelhuid.

Romp.

  • Rug: De rug is sterk en vast.
  • Lendenen: De nierstreek is kort, krachtig en diep.
  • Kruis: De croup (het kruis) is breed, middellang en verloopt met een lichte ronding zonder recht of sterk hellend te zijn.
  • Borst: De borst is breed en diep (ca. 50 % van de schouderhoogte) met goed ontwikkelde voorborst en goed gewelfde ribben.
  • Buik: De buik is bij de flanken niet opgetrokken.
  • Staart: In natuurlijke staat, gedragen in het verlengde van de ruglijn, in ontspannen toestand mag de staart neerhangen.

Ledematen.

Voorhand.

Algemeen beeld : De voorbenen zijn van voren gezien recht en staan niet te dicht bij elkaar. Van opzij gezien staan de onderarmen recht, de hoek tussen het schouderblad t.o.v. een horizontale lijn is ongeveer 45 graden.

  • Schouders: de schouders zijn goed geplaatst.
  • Bovenarm: de bovenarm ligt goed tegen de romp.
  • Onderarm: de onderarm is sterk ontwikkeld en gespierd.
  • Middenvoorvoet: de middenvoorvoet is licht verend, krachtig en niet steil.
  • Voeten: de voeten zijn rond, goed gesloten en gewelfd. De voetzolen zijn hard, de nagels kort, zwart en sterk.

Achterhand.

Algemeen beeld:

Van achter gezien zijn de achterbenen recht en niet te dicht bij elkaar geplaatst. In een natuurlijke stand vormen dijbeen en heupbeen, dijbeen en onderbeen en middenvoet een stompe hoek.

  • Dijbeen: de dij is matig lang, breed, krachtig gespierd.
  • Onderbeen: het onderbeen is lang, krachtig en sterk gespierd en gaan over in een krachtig, pezig spronggewicht dat goed gehoekt is en niet steil.
  • Achterpoten: de achtervoeten zijn iets langer dan de voorvoeten maar eveneens goed gesloten, gewelfd en met sterke tenen, zonder wolfsklauwen.

Gangwerk.

De Rottweiler is een draver. De rug blijft strak en relatief stil. De uitvoering van de beweging is harmonisch, zeker, krachtig en soepel met ruime (uitgrijpende) drafpassen.

Huid.

Hoofdhuid: De hoofdhuid is overal strak en mag bij grote oplettendheid op het voorhoofd lichte rimpels vertonen.

Beharing.

De beharing bestaat uit dekhaar en onderwol. Het dekhaar is stockhaar, middellang, grof en hard, dicht en goed aanliggend. De onderwol mag niet door het dekhaar heen komen. Aan de achterbenen is het haar iets langer.

De kleur is zwart met goed begrensde aftekeningen (brand) van een diepwarme roodbruine kleur op de wangen, snuit, onderzijde van de hals, borst en benen alsook boven de ogen en onder de staartwortel.

Grootte en gewicht:

Reuen

Reuen hebben een schofthoogte van 61-68 cm.

  • 61 - 62 cm : klein
  • 63 - 64 cm. : middelgroot
  • 65 - 66 cm. : groot (correcte grootte)
  • 67 - 68 cm. : zeer groot.

Zij hebben een gewicht van ± 50 kg.

Teven

Teven hebben een schofthoogte van 56 - 63 cm.

  • 56 - 57 cm. : klein
  • 58 - 59 cm. : middelgroot
  • 60 - 61 cm. : groot (correcte grootte)
  • 62 - 63 cm. : zeer groot.

Zij hebben een gewicht van ± 42 kg.

Schoonheids- en gebruiksfouten.

Schoonheidsfouten zijn zichtbare afwijkingen van de in de standaard omschreven kenmerken. Zij worden beoordeeld in verhouding tot hun graad van afwijking.

  • Algemeen beeld: te licht, slappe of hoogbenig totaalbeeld, zwakke knoken en spieren.
  • Kop: jachthondenhoofd, te smal, te licht, te kort, te lang of te plomp hoofd. Vlak gezicht of m.a.w. ontbrekende of te geringe stop.
  • Snuit: te lange of te puntige snuit, ramsneus, gespleten neus, holle of aflopende neus, lichte of vleeskleurige of gevlekte neusspiegel.
  • Lippen: niet goed sluitende, roze of gevlekte lippen, niet goed sluitende mondhoeken.
  • Kaken: te smalle onderkaak.
  • Gebit: tanggebit.
  • Oren: te laag aangezette zware, lange, slappe, teruggeslagen of afstaande en ongelijk gedragen oren.
  • Ogen: lichte (gele) ogen, diepliggende of te bolle of ronde of uitpuilende ogen.
  • Hals: te lange, dunne of weinig gespierde hals. Wammen of te losse keelhuid.
  • Lichaam: te lang, te kort, te smal lichaam.
  • Rug: te lange, zwakke of ingezakte rug, karperrug.
  • Kruis: afhangend kruis, te kort, te recht of te lang kruis.
  • Borst: een te vlakke of te sterk gewelfde borstkas of ingesnoerde borst.
  • Staart: te hoog of te diep aangezette staart.
  • Voorhand: te dicht bij elkaar staande of niet rechte voorbenen. Steile schouders, ontbrekende of slecht ontwikkelde ellebogen. Te lange of te korte of te steile bovenarm. Zwakke of steile middenvoorvoet, gespreide tenen, te platte of te sterk gewelfde tenen, slecht ontwikkelde tenen, lichte nagels.
  • Achterhand: niet voldoende ontwikkelde dijen, nauwe hakken, koehakkig of O-benen, te veel of te weinig gehoekte gewrichten, wolfsklauwen.
  • Huid: teveel gerimpelde hoofdhuid.
  • Beharing: zacht, te kort of te lang haar, krullend haar, ontbrekende onderwol.
  • Kleuren: verkeerde kleuren, onduidelijk begrensde of te uitgebreide aftekeningen.

Fouten die aanleiding geven tot diskwalificatie.

  • Algemeen beeld: sterk geaccentueerde omkering van het geslachtstype (teventype bij reuen en omgekeerd).
  • Gedrag: angstige, schuwe, laffe, schotschuwe, boosaardige, overdreven wantrouwige, nerveuze dieren.
  • Ogen: entropium, ektropium, gele ogen, ogen van verschillende kleur.
  • Gebit: bovenvoorbijters, ondervoorbijters, honden met ontbrekende premolaren of molaren.
  • Teelballen: monorchide of cryptorchide reuen. Beide teelballen moeten normaal ontwikkeld zijn en duidelijk aanwezig zijn in de balzak.
  • Beharing: uitgesproken lang of krullend haar.
  • Kleuren: witte vlekken of waarvan de kleur afwijkt van de door de rasstandaard voorgeschreven kleuren.
  • Staart: knikstaart, gekrulde sterk zijwaarts t.a.v. de ruglijn gedragen staart.